Staatssecretaris Weekers stelt Werkkostenregeling uit tot 2015

Staatssecretaris Frans Weekers van Financiën wil de werkkostenregeling vereenvoudigen en daarmee aantrekkelijker maken voor het mkb. Om werkgevers en loonadministrateurs nu helderheid te bieden en straks voldoende voorbereidingstijd te hebben voor eventuele wijzigingen van de regeling, verlengt de staatssecretaris het keuzeregime met een jaar tot 1 januari 2015.

BTG-leden kennen de werkkostenregeling vooral in het kader van hun bring your own device (BYOD)-beleid. Bij het ontwerpen van een BYOD-beleid hebben BTG-leden sinds 1 januari 2011 te maken met de nu nog facultatieve Werkkostenregeling (WKR). Werkgevers hadden oorspronkelijk tot en met 31 december 2013 de keuze of zij de Werkkostenregeling of de fiscale regels voor vrije vergoedingen en verstrekkingen wilden toepassen. Na 1 januari 2014 zouden alle werkgevers gehouden zijn aan de WKR. Deze datum wordt nu dus een jaar verschoven.

Simpel gezegd, kan een werkgever onder de WKR maximaal 1,4 procent van het totale fiscale loon besteden aan onbelaste vergoedingen en verstrekkingen aan de werknemers. Op 1 januari 2013 is dit percentage overigens verhoogd tot 1,5 procent. Komt de werkgever boven deze zogenoemde ‘vrije ruimte’ uit, dan moet hij loonbelasting betalen in de vorm van een eindheffing van 80 procent. De Belastingdienst maakt hierbij een kunstmatig onderscheid tussen communicatiemiddelen en computers, aangezien hiervoor verschillende regelingen bestaan. Het onderscheid is merkwaardig genoeg gebaseerd op de grootte van het beeldscherm, waarbij een smartphone met een beeldscherm (diagonaal gemeten) van maximaal 7 inch (17,78 cm) nog wordt beschouwd als een communicatiemiddel, terwijl een apparaat met een beeldscherm groter dan 7 inch volgens de Belastingdienst een computer is. Hierover is inmiddels jurisprudentie ontwikkeld.

Administratieve lasten

Het doel van de staatssecretaris is nu om het belastingvrij verstrekken van werkmiddelen eenvoudiger te maken en de bijbehorende administratieve lasten te verminderen. Volgens Weekers kan dat door de wetgeving in de loonbelasting beter te laten aansluiten bij hetgeen werkgevers in de praktijk als loon beschouwen.

Verkenning

Als er voldoende maatschappelijk draagvlak is, wil staatssecretaris Weekers de regeling verder vereenvoudigen. De mogelijkheden hiervoor worden momenteel via een verkenning in kaart gebracht. Hierin wordt onder andere onderzocht of het mogelijk is om het werkplekcriterium te vervangen door een algemenere toets, zoals het noodzakelijkheidscriterium. Dit houdt in dat wanneer een werkmiddel - zoals bijvoorbeeld een tablet of notebook - voor het werk noodzakelijk is, de werkgever in de loonberekening niet langer rekening hoeft te houden met een eventueel voordeel van privégebruik. Daarnaast wordt gekeken naar oplossingen voor administratieve knelpunten waar het mkb nu mee te maken heeft. Zo doen veel mkb-ondernemers nu per kwartaal btw-aangifte, terwijl de loonafdracht en de bijbehorende afdrachtberekening juist maandelijks moet worden gedaan. Via een internetconsultatie worden ook andere verbetermogelijkheden aan het bedrijfsleven voorgelegd. De verwachting is dat de verkenning binnen enkele weken naar de Tweede Kamer kan worden gestuurd.

Beeldvorming

De beeldvorming over de werkkostenregeling is volgens de staatssecretaris niet positief  en de evaluatie bevestigt dat volgens hem. De systematiek van de regeling en de gedachte daarachter wordt wel goed gewaardeerd. Er zijn echter zaken die verbeterd moeten worden voordat de werkkostenregeling verplicht wordt voor iedereen. Op enig moment is het volgens Weekers echter wel een kwestie van kiezen of delen. ‘We moeten niet tot in lengte van dagen met twee regimes naast elkaar zitten, want dat leidt alleen maar tot onduidelijkheid en onzekerheid.’ Eigenlijk is de loonbelasting voor het overgrote deel, namelijk het reguliere salaris, een tamelijk eenvoudige belasting. Maar de werkkostenregeling richt zich nu juist op het overige loon, namelijk voorzieningen in de vorm van vergoedingen en verstrekkingen. En de eerste vraag die daarbij al jaren wordt gesteld is: Wat behoort nu eigenlijk tot het loon?

Staatssecretaris Weekers van Financiën: Het is een kwestie van kiezen of delen. We moeten niet tot in lengte van dagen met twee regimes naast elkaar zitten, want dat leidt alleen maar tot onduidelijkheid en onzekerheid.’

Administratieve rompslomp

De wet zegt nu dat in beginsel alles waar de werknemer een voordeel van heeft tot het loon behoort. Als we ieder voordeeltje echter zouden belasten, zou een enorme administratieve rompslomp ontstaan. Daarom is een groot aantal zaken uitgezonderd van het algemene loonbegrip. Loon kent echter zoveel verschillende verschijningsvormen dat er in de loop der jaren een wildgroei aan regeltjes is ontstaan over wat per voorziening niet tot het loon hoefde te worden gerekend en wat wel loon was. De wetgever bepaalde – soms tamelijk willekeurig – vrij gedetailleerd wanneer een voordeel zodanig was dat dit belast moest worden. De praktijk paste zich hieraan aan. Daarmee ontstond wet- en regelgeving en een praktijk die steeds verder verwijderd raakte van wat wij allemaal eigenlijk als loon ervaren. Het doel van de werkkostenregeling was nu juist om aan al die regeltjes per voorziening zo veel mogelijk een einde te maken. Slechts enkele van de gerichte vrijstellingen met een zeer groot financieel belang blijven bestaan.

Werkplekcriterium

Als afbakeningsgrens is het werkplekcriterium geïntroduceerd, waarbij een aantal voorzieningen met een privévoordeel in het geheel buiten de loonbelasting kan blijven als ze op de werkplek worden gebruikt. Voor andere voorzieningen geldt een algemene vrijstelling van 1,5 procent van de totale loonsom van de onderneming. De staatssecretaris staat volgens eigen zeggen nog steeds volledig achter de idee van de werkkostenregeling, want het is als hoofdregel niet aan de overheid om te bepalen in welke vorm werkgevers hun werknemers belonen.

Forfaitaire ruimte

Ruim driekwart van de werkgevers heeft genoeg aan de forfaitaire ruimte. Dat een klein deel van de werkgevers dus niet uitkomt, is inherent aan een grovere regeling. Naar maatschappelijke opvattingen zou de forfaitaire ruimte niet bestemd moeten zijn voor vergoedingen en verstrekkingen waarvan de werknemer geen voordeel ervaart. En hoewel het werkplekcriterium een tamelijk eenvoudig criterium is, zorgt het er ook voor dat bepaalde zaken in de vrije ruimte vallen, waarvan wij allemaal vinden dat dit geen loon is. Daarnaast is duidelijk dat de werkkostenregeling nog helemaal niet als een administratieve lastenverlichting wordt gezien door veel werkgevers. Dat stemt niet tot tevredenheid, want dat er in Haagse termen op administratieve lasten is bespaard zegt nog niet alles; het gaat erom wat de werkgever daadwerkelijk ervaart. Tot slot baart het de staatssecretaris zorgen dat een groot deel van de werkgevers in het geheel nog niet op de hoogte is van de werkkostenregeling en ook dat er veel misverstanden bestaan over de werkkostenregeling. Zoals uit de evaluatie blijkt was in 2012 nog slechts 10 procent van de werkgevers overgestapt. Uit voorlopige cijfers van een groot salarisadministratiebureau blijkt dat dit ondertussen richting de 20 procent loopt. Dat is natuurlijk nog te weinig en het is begrijpelijk dat werkgevers in deze crisistijden wel wat anders aan hun hoofd hebben dan de overstap op de werkkostenregeling voor te bereiden.

Twee sporen

De staatssecretaris werkt momenteel aan verbeteringen volgens een tweesporenbeleid. Allereerst wordt gekeken of het werkplekcriterium kan worden vervangen door een algemener criterium om te bepalen of iets wel of niet loon is. Hiervoor is een aanpassing van het loonbegrip nodig. Weekers noemt dat het noodzakelijkheidscriterium; wat voor een werknemer noodzakelijk is om zijn werk naar behoren te kunnen doen zou niet tot het loon moeten behoren, ook al heeft de werknemer hier (ook) een (privé)voordeel van. Dit levert uiteraard de vraag op wat dan als noodzakelijk moet worden beschouwd; dat is volgens Weekers een niet eenvoudig te beantwoorden vraag. Daarom zal dit noodzakelijkheidscriterium nader moeten worden ingevuld, maar dan niet op zo’n manier dat we weer teruggaan naar de oude situatie waarbij een afzonderlijke regel geldt voor iedere voorziening. Het is niet aan de overheid, maar aan de werkgever om te beslissen wat voor het verrichten van werkzaamheden van de werknemer noodzakelijk is. Het criterium moet aansluiten bij de maatschappelijke beleving. Iedere rationeel handelende werkgever moet kunnen beoordelen of de voorziening noodzakelijk is voor de uitoefening van de dienstbetrekking.

Afrekensystematiek

Het tweede spoor bestaat eruit om oplossingen te vinden voor de meer administratieve knelpunten in de werkkostenregeling. Het gaat dan met name om de door het mkb ervaren knelpunten in de afrekensystematiek. Ook het ontbreken van een mogelijkheid tot gebruik van de forfaitaire ruimte op concernniveau wordt gezien als belemmering. Samen met financieel administratieve deskundigen uit de praktijk wordt gezocht naar verbetering van de bestaande systematiek.

BTG: Verbinding, verbreding en verdieping

Branchevereniging ICT en Telecommunicatie Grootgebruikers (BTG) behartigt de belangen van Nederlandse bedrijven en instellingen door kennis over te dragen en ervaringen uit te wisselen o.a. tijdens events

BTG in beeld en geluid

Expertsessies

  • Geen evenementen
  • Magazine

    BTG in Business - Voorjaar 2022
    Lees de laatste editie

    Meld je aan voor onze nieuwsbrief!

    Op de hoogte blijven van evenementen en het laatste nieuws? Schrijf je dan nu in voor onze nieuwsbrief.
    • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.