Toezicht op artikel 4 van de EU AI Act start per 2 augustus 2026
28 jul 2026Sinds 2 februari 2025 verplicht artikel 4 van de Europese AI-verordening organisaties die AI inzetten om te zorgen voor voldoende kennis en begrip bij medewerkers...
Het is logisch dat Nederland en Europa kritisch kijken naar hun digitale afhankelijkheid. Onze vitale infrastructuur, publieke diensten en economie steunen op technologie die betrouwbaar, veilig en beschikbaar móét zijn. Wie daar lichtvaardig over doet, begrijpt de risico’s niet. Voorzichtigheid is hier geen zwakte, maar gezond verstand.
Maar juist omdat de inzet zo groot is, moeten we scherp blijven op wat cybersecurity werkelijk behelst — en wat niet. Cybersecurity is geen abstract gevoel van veiligheid en ook geen geopolitiek label. Het is een concreet, technisch en toetsbaar domein, waarin duidelijk moet zijn waar risico’s ontstaan en hoe die worden beheerst.
In de kern draait cybersecurity niet om herkomst, maar om aantoonbare veiligheid. Om technologie, processen en toezicht. Om systemen die voldoen aan internationale standaarden, onafhankelijk zijn gecertificeerd, continu worden getest en zich in de praktijk hebben bewezen. Veiligheid is geen belofte, maar een eigenschap die je kunt meten, controleren en afdwingen.
Digitale weerbaarheid groeit wanneer bedrijven in de hele keten consequent worden afgerekend op objectieve criteria. Denk aan:
– naleving van internationaal erkende normen,
– transparante governance,
– audits, adequaat toezicht en monitoring,
– en een bewezen trackrecord zonder veiligheidsincidenten.
Dat is geen vertrouwen op basis van hoop of goede intenties, maar controle op basis van feiten. Precies zoals cybersecurity bedoeld is.
Toch schuift het debat zichtbaar op. In wetgevingstrajecten als NIS2, de ICT Toolbox en de Cybersecurity Act wordt cybersecurity steeds vaker ingekleurd met niet-technische overwegingen, zoals herkomst of geopolitieke context. Dat voelt als extra voorzichtigheid. Maar het risico is dat we daarmee juist afstand nemen van het objectieve fundament waarop digitale veiligheid rust.
Uitsluiting op basis van herkomst heeft namelijk concrete gevolgen. Het beperkt concurrentie, remt innovatie, vergroot de afhankelijkheid van een kleiner aantal aanbieders en maakt de keten uiteindelijk kwetsbaarder. Precies het tegenovergestelde van wat digitale autonomie zou moeten opleveren.
Echte digitale autonomie ontstaat niet door de markt smaller te maken, maar door de lat hoger te leggen. Door eisen te stellen waaraan elke leverancier moet voldoen – ongeacht vlag of paspoort – en die eisen vervolgens streng te handhaven.
Europa heeft zijn digitale kracht juist opgebouwd door openheid te combineren met harde, objectieve normen. Dat model werkt. Maar alleen zolang we cybersecurity blijven behandelen als een technisch en toetsbaar vraagstuk, en niet als een politiek sentiment.
De kernvraag is daarom niet: waar komt een bedrijf vandaan?
De kernvraag is: kan dit bedrijf aantoonbaar voldoen aan onze veiligheids- en betrouwbaarheidseisen, vandaag én structureel?
Wie digitale weerbaarheid werkelijk serieus neemt, kiest voor normering, verificatie en handhaving. Voor controle in plaats van symboliek.
Voorzichtigheid is verstandig.
Maar echte cybersecurity vraagt om meer dan emotie; zij vereist meetbare zekerheid.
BTG, branchevereniging voor IT en communicatietechnologie