De afhankelijkheid van grote niet-Europese techleveranciers in het Nederlandse onderwijs is groot. Uit nieuw onderzoek van Dialogic, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, blijkt dat instellingen in het mbo, hoger onderwijs en de wetenschap de kortetermijnvoordelen van digitale diensten vaak zwaarder laten wegen dan de structurele risico’s voor strategische autonomie. Het kabinet wil deze afhankelijkheid terugdringen en roept op tot meer publieke regie, gezamenlijke kaders en Europese alternatieven. Voor BTG raakt dit direct aan de bredere opgave van digitale soevereiniteit, duurzame digitalisering en maatschappelijke regie op technologie.
Digitale technologie is niet meer weg te denken uit het onderwijs. Van e-mail en documentopslag tot digitale leeromgevingen, videobellen, AI-toepassingen en onderzoeksdata: onderwijsinstellingen zijn in hoge mate afhankelijk geworden van digitale infrastructuur. Die infrastructuur wordt voor een belangrijk deel geleverd door een beperkt aantal grote, vaak niet-Europese technologiebedrijven.
Het onderzoek van Dialogic laat zien dat deze afhankelijkheid diep is verankerd in de dagelijkse bedrijfsvoering van onderwijsinstellingen. Microsoft-diensten zoals Office 365, Teams en OneDrive worden in veel sectoren standaard gebruikt voor communicatie, samenwerking en documentopslag. Medewerkers zijn vaak verplicht om binnen deze omgeving te werken. Daardoor zijn alternatieven in de praktijk beperkt zichtbaar en moeilijk inzetbaar.
Die situatie is begrijpelijk, maar niet zonder risico. De diensten werken goed, zijn gebruiksvriendelijk en bieden schaalvoordelen. Juist daardoor ontstaat volgens de onderzoekers een vorm van normalisatie: de afhankelijkheid wordt steeds meer gezien als vanzelfsprekend onderdeel van de digitale infrastructuur. Het gevoel van urgentie om alternatieven te verkennen of risico’s actief te beperken, neemt daardoor af.
Kortetermijnvoordelen versus strategische autonomie
Voor onderwijsinstellingen wegen praktische voordelen zwaar. Digitale diensten van grote techbedrijven zijn betrouwbaar, geïntegreerd en bekend bij medewerkers en studenten. Ze ondersteunen flexibel onderwijs, samenwerking op afstand, opslag van documenten, digitale toegankelijkheid en efficiënte bedrijfsvoering. Ook sluiten ze vaak aan bij systemen die studenten later op de arbeidsmarkt tegenkomen.
Tegelijkertijd ontstaan hierdoor structurele afhankelijkheden. Bestuurders en managers zijn volgens Dialogic geneigd directe voordelen zoals gebruiksgemak, prijs, functionaliteit en continuïteit zwaarder te laten wegen dan langetermijnvragen rond digitale soevereiniteit, publieke waarden en autonomie.
Voor BTG is dit een herkenbaar spanningsveld. Digitalisering levert veel waarde op, maar vraagt tegelijkertijd om bewuste keuzes over zeggenschap, veiligheid, interoperabiliteit en publieke regie. Technologie is geen neutrale voorziening; de inrichting van digitale infrastructuur bepaalt mede welke keuzes instellingen in de toekomst nog kunnen maken.
Publieke waarden onder druk
De onderzoekers wijzen erop dat de afhankelijkheid van Big Tech kan schuren met publieke waarden in het onderwijs. Het gaat daarbij onder meer om rechtvaardigheid, autonomie, privacy, gegevensbescherming, toegankelijkheid en keuzevrijheid.
Wanneer één leverancier een groot deel van de digitale keten beheerst, kan dat leiden tot vendor lock-in. Overstappen naar andere systemen wordt dan kostbaar, tijdrovend en technisch complex. Bovendien kunnen onderwijsinstellingen minder goed zelf bepalen hoe zij hun onderwijs vormgeven, omdat zij afhankelijk zijn van functionaliteiten, voorwaarden en strategische keuzes van externe aanbieders.
Ook indirecte afhankelijkheid speelt een rol. Veel toeleveranciers in het onderwijs bouwen hun eigen systemen op de infrastructuur van dezelfde grote techbedrijven. Daardoor kan een instelling formeel kiezen voor een andere leverancier, terwijl de onderliggende cloud- of identiteitsinfrastructuur alsnog afhankelijk blijft van een beperkt aantal dominante partijen.
Het kabinet benoemt in de Kamerbrief meerdere risico’s: de inzet van technologische afhankelijkheid als geopolitiek drukmiddel, mogelijk misbruik van persoonsgegevens, grotere impact van storingen en situaties die niet aansluiten bij publieke waarden in het onderwijs. Daarmee wordt digitale autonomie niet alleen een technisch vraagstuk, maar ook een bestuurlijke en maatschappelijke opgave.
Beperkt zicht op alternatieven
Een belangrijk signaal uit het onderzoek is dat instellingen vaak beperkt zicht hebben op realistische alternatieven. Europese of open source-oplossingen zijn niet altijd bekend, nog niet volwassen genoeg of bieden niet dezelfde mate van integratie als bestaande Big Tech-ecosystemen. Ook ontbreekt vaak praktische kennis over migratiepaden, kosten, beheer en implementatie.
Dat maakt het lastig om digitale autonomie mee te wegen in strategische besluitvorming. Waar prijs, functionaliteit en beheergemak standaard onderdeel zijn van inkoopprocessen, geldt dat nog onvoldoende voor publieke waarden, exitstrategieën, open standaarden, soevereine cloudoplossingen en Europese alternatieven.
Volgens Dialogic kan het onderwijs pas echt regie terugwinnen wanneer digitale autonomie expliciet wordt benoemd als strategische doelstelling. Dat vraagt om gezamenlijke kaders, kennisopbouw en aangepaste inkooppraktijken. Zolang Big Tech-diensten worden gezien als vanzelfsprekende infrastructuur, blijft de afhankelijkheid groeien en blijft de ruimte om andere routes te kiezen beperkt.
Kabinet wil publieke regie versterken
Minister Letschert van Onderwijs heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de kabinetsinzet om de digitale autonomie in het onderwijs te versterken. Het kabinet wil dat onderwijsinstellingen minder afhankelijk worden van enkele grote techleveranciers en meer ruimte krijgen om keuzes te maken die passen bij hun onderwijskundige visie en publieke opdracht.
De minister benadrukt dat dit niet van individuele instellingen alleen kan worden gevraagd. De overstap naar alternatieven is complex, kostbaar en vraagt om scholing van personeel, technische kennis en bestuurlijke samenwerking. Daarom zet het kabinet in op collectieve regie vanuit het onderwijsveld, ondersteund door kennispartners, sectororganisaties, de rijksoverheid, private partijen en Europese partners.
Die publieke regie kan volgens de Kamerbrief vorm krijgen via gezamenlijke afspraken, uniforme en open standaarden, collectieve inkoopvoorwaarden, het stimuleren van Europese alternatieven en waar nodig het ontwikkelen van eigen digitale voorzieningen. Denk daarbij aan identiteitsvoorzieningen, toegang tot digitale leermiddelen, autonome dataopslag en -uitwisseling, en verantwoord gebruik van AI.
Van afhankelijkheid naar handelingsperspectief
Voor BTG sluit deze discussie nauw aan bij het jaarthema Connecting Tech to Society. Technologie moet bijdragen aan maatschappelijke waarde, maar dat kan alleen wanneer publieke en private organisaties voldoende grip houden op hun digitale infrastructuur. Digitale autonomie betekent niet dat samenwerking met grote technologiebedrijven per definitie moet worden uitgesloten. Het betekent wel dat instellingen bewuste keuzes moeten kunnen maken, risico’s moeten kunnen spreiden en niet vast mogen zitten aan één gesloten ecosysteem.
De opgave vraagt om samenwerking tussen overheid, onderwijs, wetenschap, bedrijfsleven en leveranciers. Precies op dat snijvlak vervult BTG als branchevereniging voor IT en communicatietechnologie een verbindende rol. Door gebruikers, solution partners, beleidsmakers en kennisinstellingen samen te brengen, kan de dialoog over digitale soevereiniteit concreet worden gemaakt.
Daarbij zijn drie lijnen van belang. Ten eerste moeten publieke waarden structureel onderdeel worden van digitale strategie en inkoop. Ten tweede is kennisdeling nodig over alternatieven, migratiepaden, open standaarden en interoperabiliteit. Ten derde moeten sectoren gezamenlijk optrekken om voldoende schaal, vraagmacht en continuïteit te organiseren.
Strategische samenwerking is noodzakelijk
De discussie over Big Tech in het onderwijs raakt aan bredere vragen die ook spelen in andere sectoren: wie bepaalt de voorwaarden van onze digitale infrastructuur? Hoe borgen we continuïteit, veiligheid en privacy? En hoe zorgen we ervoor dat innovatie niet leidt tot nieuwe afhankelijkheden, maar juist tot meer maatschappelijke veerkracht?
BTG ziet digitale autonomie daarom als een belangrijk thema binnen de bredere agenda voor duurzame digitalisering, cybersecurity, AI, digitale infrastructuur en Europese samenwerking. Het gaat niet om technologie als doel op zich, maar om regie, vertrouwen en publieke waarde.
Het onderwijs kan hierin een belangrijke voorbeeldrol vervullen. Door digitale autonomie expliciet te verankeren in bestuur, beleid en inkoop ontstaat ruimte voor een toekomst waarin technologie ondersteunend is aan onderwijs, onderzoek en maatschappelijke ontwikkeling — en niet andersom.
BTG blijft deze ontwikkeling volgen en brengt leden, partners en stakeholders graag samen om kennis te delen, handelingsperspectief te ontwikkelen en bij te dragen aan een digitale samenleving waarin autonomie, innovatie en publieke waarden hand in hand gaan.
Gebaseerd op de Kamerbrief “Versterken digitale autonomie in het onderwijs” en het Dialogic-rapport “Big tech in OCW-sectoren”.