Let op! Internet Explorer wordt niet meer ondersteund. Hierdoor kan de website mogelijk niet goed functioneren, gebruik een alternatieve browser om optimaal gebruik te maken van deze website. Klik hier om een alternatieve browser te downloaden.

BTG biedt een netwerk voor uitwisseling van kennis en ervaring over Telecommunicatie en ICT. De branchevereniging focust via expertgroepen op de volgende thema’s:

Terug naar nieuws

Paul Wijngaard bouwt met FNS aan digitale infrastructuur van de toekomst

23 jun 2026

Een breed consortium van bedrijven, kennisinstellingen, operators en overheden werkt in Nederland al volop aan 6G, de volgende generatie communicatietechnologie. Een van de aanjagers die daarin een verbindende rol speelt, is Paul Wijngaard. Vanuit TNO is hij alliantiedirecteur van Future Network Services (FNS), het nationale programma waarin ruim zeventig partners al twee jaar samenwerken aan technologieën en toepassingen voor de digitale infrastructuur van de toekomst. 

Als we hem spreken, is er net een FNS-partnerevent achter de rug. “We hadden ruim 200 betrokkenen vanuit de partners, er was een groot demoplein en er waren inspirerende sessies. Wat je dan ziet, is de enorme synergie en het vliegwiel dat begint te draaien. Mensen worden nieuwsgierig naar elkaars werk, zoeken samenwerking en komen met nieuwe ideeën. Daar word je erg enthousiast van.” 

Het geeft de rol aan die Wijngaard vervult in het FNS-ecosysteem: die van verbinder. “Ik ben de orchestrator, niet de scientist”, zegt hij. Juist die rol is binnen FNS essentieel: zorgen dat onderzoekers, technologiebedrijven, operators, startups en publieke partijen elkaar vinden. 

De start van FNS 

Al vanaf 2019 werkt Wijngaard vanuit TNO aan het opzetten van FNS. Inmiddels is het programma uitgegroeid tot een omvangrijk ecosysteem waarin bedrijven, universiteiten en overheden samenwerken aan innovaties rond 6G. Het draait volgens hem om innovatie in chips, antennes en slimme netwerktechnologie. Daarbij wordt hij ondersteund door een breed team, met onder meer Peter Rake als overall programmadirecteur en Pieter Nooren als programmastrateeg. “De drie P’s.” 

FNS moet voorkomen dat veelbelovende technologie in de onderzoeksfase blijft steken. Door bedrijven, onderzoekers en publieke partijen vroegtijdig te verbinden, helpt het programma innovaties door de zogenoemde valley of death: de fase waarin technologie vaak nog te onzeker is voor de markt, maar te belangrijk om te laten liggen. 

“Veel mensen denken bij een nieuwe generatie mobiele netwerken meteen aan snelheid”, zegt Wijngaard. “Maar 6G wordt fundamenteel anders dan 5G. Het gaat over intelligentie, sensing, betrouwbaarheid en nieuwe toepassingen die we nu nog nauwelijks kennen.” 

FNS wordt gefinancierd vanuit het Nationaal Groeifonds en beschikt over een totaalbudget, inclusief subsidie, van circa 315 miljoen euro. Het programma moet ervoor zorgen dat Nederland niet alleen gebruiker wordt van toekomstige technologie, maar ook actief meebouwt aan de mondiale standaarden en innovaties waarop die technologie draait. 

Volgens Wijngaard is dat noodzakelijk. “We hebben in Europa en Nederland te lang gedacht dat de markt alles vanzelf zou oplossen. Ondertussen hebben andere landen veel actiever industriepolitiek gevoerd. Daardoor zijn belangrijke posities verdwenen. Denk aan telecomresearch of bedrijven die ooit groot waren in Nederland. Met FNS proberen we opnieuw een positie op te bouwen.” 

Van antennes tot AI 

Het programma kent vijf hoofdlijnen: hardware en antennetechnologie, software en AI, toepassingen, ondersteuning van startups en scale-ups, en versterking van het bredere ecosysteem. “6G wordt in feite een AI-netwerk”, legt Wijngaard uit. “AI voor 6G en 6G voor AI. Kunstmatige intelligentie gaat het netwerk zelf aansturen, optimaliseren en slimmer maken. Tegelijkertijd maakt dat netwerk weer nieuwe AI-toepassingen mogelijk.” 

Sensing en nieuwe toepassingen 

Daarnaast speelt zogenoemde sensing-technologie een belangrijke rol. Daarbij functioneren mobiele netwerken niet alleen als communicatiesysteem, maar ook als een soort radarsysteem dat bewegingen en objecten kan detecteren. “Dat is echt nieuw”, zegt Wijngaard. “Een 6G-netwerk kan straks zien wat er gebeurt. Antennes ontvangen reflecties van signalen en kunnen daardoor objecten en bewegingen detecteren. Dat opent een enorme wereld aan toepassingen.” 

Ook Nederlandse MKB-bedrijven werken hier al concreet aan mee, onder andere in samenwerking met partijen als Robin Radar en RadarXsense, die radartechnologie en sensing-toepassingen ontwikkelen en verkennen hoe deze met mobiele netwerken kunnen worden gecombineerd. 

Wijngaard noemt verkeersmanagement als voorbeeld. Verkeerslichten zouden realtime kunnen reageren op actuele verkeersstromen die via het mobiele netwerk worden waargenomen. Maar sensing kan ook worden gebruikt voor dronedetectie, industriële toepassingen of het monitoren van infrastructuur. 

Betrouwbare netwerken met satellietconnectiviteit 

Tot slot is er een belangrijke ontwikkeling in de betrouwbaarheid van toekomstige netwerken. Daarbij wordt satellietcommunicatie direct geïntegreerd in mobiele infrastructuren. “Je mobiel praat straks niet alleen meer met zendmasten op aarde, maar tegelijkertijd ook met satellieten”, zegt Wijngaard. “Daardoor worden netwerken veel robuuster. Als een aardse verbinding uitvalt, blijft de satellietverbinding beschikbaar.” 

Van onderzoek naar praktijk 

Hoewel 6G nog jaren verwijderd is van commerciële uitrol, zijn binnen FNS al concrete resultaten geboekt. Volgens Wijngaard heeft het programma inmiddels bewezen dat het de juiste richting op gaat. “We hebben de Groeifondscommissie ervan kunnen overtuigen dat deze investeringen echt waarde gaan opleveren”, zegt hij. “Dat is belangrijk, want het gaat uiteindelijk om economisch verdienvermogen.” 

Die resultaten lopen uiteen van technologische doorbraken tot praktijktoepassingen. Zo zijn binnen het programma al diverse patenten aangevraagd, prototypes ontwikkeld en ontstaan er nieuwe samenwerkingen rond startups en scale-ups. Ook zijn bijdragen geleverd aan internationale standaardisatieprocessen. 

Die technologie wordt inmiddels in verschillende FNS-pilots samen met bedrijven en kennisinstellingen getest in realistische omgevingen. Een van de meest aansprekende voorbeelden is een demonstratie met drones die buiten zichtafstand konden vliegen via gegarandeerde netwerkconnectiviteit. “Normaal mag je drones alleen vliegen als je ze direct kunt zien”, legt Wijngaard uit. “Maar straks wil je misschien duizenden drones inzetten voor distributie of inspectie. Dan moet je volledig kunnen vertrouwen op netwerkverbindingen.” 

Binnen FNS wordt gewerkt aan technologie die dat mogelijk maakt. Tijdens een proefvlucht werden drones over tientallen kilometers bestuurd via mobiele netwerken. Daarbij waren operators, technologieleveranciers en toezichthouders betrokken. “Dat zijn precies de stappen die nodig zijn”, zegt Wijngaard. “Je lost samen allerlei praktische problemen op, totdat operators zeggen: nu durven we dit daadwerkelijk in onze netwerken toe te passen.” 

Daarmee raakt 6G aan thema’s die steeds urgenter worden: betrouwbare connectiviteit voor kritische processen, slimme mobiliteit, veilige industriële automatisering en digitale weerbaarheid. 

Ook op het gebied van datacommunicatie zijn resultaten geboekt. Zo werd in Eindhoven een record gevestigd met een draadloze dataverbinding van 5,7 terabit per seconde over een afstand van 4,6 kilometer. “Dat soort innovaties laat zien wat er technisch mogelijk wordt”, zegt Wijngaard. “En tegelijkertijd bouw je daarmee kennis en expertise op in Nederland.” 

Samenwerking als vliegwiel 

Een belangrijk onderdeel van FNS is samenwerking. Ruim zeventig partners zijn betrokken bij het programma: van operators en technologiebedrijven tot universiteiten en startups. Volgens Wijngaard zit juist daar de kracht van het initiatief. “Wat je wilt, is dat mensen elkaar gaan vinden”, zegt hij. “Dat er nieuwe verbindingen ontstaan. Dat bedrijven en onderzoekers elkaar versterken.” 

Binnen FNS krijgt die samenwerking ook fysiek vorm in het Nationaal 6G Testbed: een landelijke innovatie-infrastructuur waarin vijf regionale 6G-fieldlabs worden verbonden. Daar kunnen bedrijven, onderzoekers en startups toekomstige 6G-technologie en -toepassingen al vóór 2030 in realistische omgevingen ontwikkelen, testen en valideren. Het testbed slaat een brug tussen onderzoek en praktijk. Iets wat goed aansluit bij de drive van BTG. 

Tegelijkertijd blijft het volgens Wijngaard cruciaal om focus te houden op de economische waarde van alle innovaties. “Researchers kunnen fantastische dingen ontwikkelen”, zegt Wijngaard. “Maar uiteindelijk moet het landen in de markt. Anders creëer je geen nieuwe Nederlandse bedrijvigheid en versterking van onze economische positie.” 

Daarom bevat FNS ook aparte programmalijnen voor startups, scale-ups en ecosysteemontwikkeling. Het doel is om bedrijven sneller richting marktintroductie te begeleiden. “Het gaat niet alleen om technologie, maar ook om financiering, regelgeving, standaardisatie en human capital. Je moet alle puzzelstukjes invullen. Dan is het aan de markt om het te commercialiseren en stopt onze rol. Tegelijkertijd is de vraag: hoe zorgen we ervoor dat het netwerktechnologie-innovatie-ecosysteem dat nu wordt gebouwd, ook op langere termijn blijft bestaan? Dat is een opdracht die we nog moeten invullen.” 

Rol voor brancheorganisaties 

Binnen dat ecosysteem ziet Wijngaard ook een belangrijke rol voor brancheorganisaties zoals BTG. De ontwikkeling van 6G mag niet beperkt blijven tot onderzoeksprogramma’s en technische standaarden. De technologie moet landen bij organisaties die straks afhankelijk zijn van betrouwbare, veilige en intelligente connectiviteit: van industrie en mobiliteit tot zorg, overheid en kritische infrastructuur. 

“BTG helpt om technologie naar de markt te brengen”, zegt hij. “Veel leden zijn zelf betrokken bij FNS. Maar daarnaast speelt BTG een belangrijke rol in kennisdeling, zichtbaarheid en het informeren van bedrijven over wat er gebeurt.” 

Volgens Wijngaard wordt die samenwerking de komende jaren alleen maar intensiever. “In de eerste fase waren we vooral bezig met opstarten”, zegt hij. “Nu komen we in een fase waarin we steeds meer naar buiten treden.” 

Voor BTG raakt FNS direct aan de kern van haar rol als bruggenbouwer tussen gebruikers, leveranciers, kennisinstellingen en overheid. De ontwikkeling van 6G gaat immers niet alleen over technologie, maar ook over de vraag hoe Nederland zijn digitale infrastructuur toekomstbestendig, betrouwbaar en maatschappelijk relevant houdt. 

Daarbij speelt ook talentontwikkeling een belangrijke rol. Nieuwe generaties netwerken vragen om nieuwe kennis en vaardigheden op het gebied van AI, software, cybersecurity en digitale infrastructuren. Brancheorganisaties zoals BTG kunnen bijdragen aan het voorbereiden van de arbeidsmarkt op die toekomstige 6G-skills, onder meer via kennisdeling, samenwerking met onderwijsinstellingen en het verbinden van bedrijven met nieuw talent. 

Nederland in de mondiale 6G-ontwikkeling 

Hoewel FNS een Nederlands programma is, speelt het zich af binnen een sterk internationaal krachtenveld. De standaarden voor 6G worden immers mondiaal ontwikkeld, onder meer binnen 3GPP, het internationale samenwerkingsverband waarin mobiele communicatiestandaarden worden ontwikkeld. Daar probeert Nederland actief invloed uit te oefenen. “We hebben inmiddels tientallen bijdragen ingebracht in internationale standaardisatieprocessen”, zegt Wijngaard. “Dat is essentieel. Als jouw technologie uiteindelijk geen onderdeel wordt van de standaard, heb je er economisch weinig aan.” 

Volgens Wijngaard is de geopolitieke context de afgelopen jaren sterk veranderd. Wie invloed heeft op standaarden, bepaalt mede welke technologieën wereldwijd schaal krijgen. Daarmee gaat standaardisatie niet alleen over techniek, maar ook over economische positie en strategische autonomie. 

“We moeten zorgen dat Europa en Nederland kaarten hebben om mee te kunnen spelen”, zegt Wijngaard. “Als je geen positie hebt in technologieontwikkeling, dan ben je volledig afhankelijk van anderen.” 

Die geopolitieke spanningen zijn vooral zichtbaar in de verhouding tussen China, de Verenigde Staten en Europa. Volgens Wijngaard is het onvermijdelijk dat technologie steeds meer onderdeel wordt van strategisch beleid. “Die spanning is er gewoon”, zegt hij. “En daardoor realiseren landen zich dat ze weer eigen posities moeten opbouwen.” 

Toch benadrukt hij dat internationale samenwerking noodzakelijk blijft. “Uiteindelijk wil je één wereldwijde standaard houden”, zegt Wijngaard. “Want als markten uit elkaar vallen, krijg je fragmentatie, hogere kosten en minder schaalgrootte.” 

Een duurzaam ecosysteem dat blijft bestaan 

Het programma loopt officieel tot 2030. Wanneer is het voor Wijngaard een succes? Hij hoeft daar niet lang over na te denken. “Als er bedrijven zijn die kunnen zeggen: dankzij FNS zijn wij echt groot geworden”, antwoordt hij. “Dat zou fantastisch zijn.” 

Hij droomt hardop van een Nederlandse technologiegigant die voortkomt uit het programma. “Misschien hebben we straks wel de volgende ASML op telecomgebied”, zegt Wijngaard lachend. “Dat klinkt ambitieus, maar je moet wel groot durven denken.” 

Daarnaast hoopt hij dat Nederland vooroploopt in concrete toepassingen. Bijvoorbeeld met volledig draadloze fabrieken waarin robots, sensoren en machines realtime communiceren via geavanceerde mobiele netwerken. 

Wat hem uiteindelijk het meest trots zou maken? Daar hoeft hij nauwelijks over na te denken. “Dat we een duurzaam ecosysteem voor innovatie hebben gebouwd”, zegt Wijngaard. “Niet iets tijdelijks, maar een structuur die blijft bestaan en die Nederland ook ná 2030 een sterke positie geeft in de digitale infrastructuur van de toekomst.” 

 Wijngaard kent de telecomwereld als geen ander. Zijn loopbaan voerde langs KPN, MCI WorldCom, Reggefiber en Nokia. Ook was hij voorzitter van de Telecom Society. Alles bij elkaar vormt het volgens hem een logische voorbereiding op zijn huidige rol. 

“Ik ben een netwerker, een organisator en een verbinder. Op een bepaald moment in je carrière vraag je jezelf af: wat wil ik nog doen? Bij TNO kreeg ik de kans om mee te bouwen aan een nationaal programma voor de toekomst van digitale infrastructuur. Dat kwam eigenlijk precies op het juiste moment.” 

Gerelateerd nieuws