Toezicht op artikel 4 van de EU AI Act start per 2 augustus 2026
28 jul 2026Sinds 2 februari 2025 verplicht artikel 4 van de Europese AI-verordening organisaties die AI inzetten om te zorgen voor voldoende kennis en begrip bij medewerkers...
Met deze kop opende het Financieele Dagblad op 10 maart. De aanleiding: een rechterlijke uitspraak die een streep zet door twee grote IT-aanbestedingen van het Rijk voor standaardsoftware van onder meer Microsoft en Oracle. Het gaat om contracten ter waarde van ruim 3 miljard euro voor software en IT-diensten die door meerdere ministeries en een groot aantal andere overheidsorganisaties worden gebruikt.
Maar deze uitspraak raakt aan een vraag die verder gaat dan alleen deze aanbesteding.
Volgens juridische experts laat het vonnis zien dat de gebruikelijke werkwijze van het Rijk mogelijk op gespannen voet staat met het aanbestedingsrecht. Tegelijkertijd legt deze casus een structureel probleem bloot: de grote afhankelijkheid van de overheid van een beperkt aantal internationale technologiebedrijven.
Dat is juist een gevoelig punt op een moment dat digitale autonomie en technologische soevereiniteit steeds hoger op de politieke agenda staan.
Toch lijkt het Rijk vooralsnog terughoudend om een andere koers te varen. De risico’s van een overstap naar alternatieve oplossingen worden als aanzienlijk gezien. Continuïteit van dienstverlening en de complexiteit van bestaande IT-omgevingen spelen daarbij een belangrijke rol.
Volgens Louisa Engels van advocatenkantoor CMS ligt de kern van het vraagstuk bovendien niet bij inkopers binnen de overheid.
De strategische keuze om Nederland minder afhankelijk te maken van big tech is uiteindelijk een politieke beslissing.
Het kabinet heeft uitgesproken dat Nederland digitaal autonomer moet worden. In de praktijk blijkt dat echter een ingewikkelde opgave.
Voorbeelden zijn er genoeg:
de Belastingdienst die opnieuw voor een Amerikaanse leverancier kiest
de Amerikaanse overname van Solvinity, het bedrijf achter DigiD
terugkerende politieke discussies over afhankelijkheid van buitenlandse technologie
Tegelijkertijd gaat het hier om software die dagelijks wordt gebruikt door tienduizenden ambtenaren. Van IND-medewerkers die asieldossiers behandelen tot juristen bij het Openbaar Ministerie en analisten bij Defensie en het Nationaal Cybersecurity Centrum.
Dat maakt veranderingen in de digitale infrastructuur van de overheid niet alleen een politieke, maar ook een operationele uitdaging.
Hoewel deze zaak formeel een nationale aanbesteding betreft, overstijgen digitale vraagstukken al snel nationale grenzen.
Daarom is Europese samenwerking op digitaal gebied geen luxe, maar een noodzaak. Niet alleen om economische stabiliteit en veiligheid te waarborgen, maar ook om te voorkomen dat grote technologiebedrijven kunnen profiteren van versnippering in beleid en regelgeving binnen Europa.
Deze discussie roept ook een bredere vraag op over bestuurlijke regie.
BTG en diverse andere brancheorganisaties pleiten al geruime tijd voor één minister voor Digitale Zaken, zoals in meerdere EU-landen het geval is. In Nederland is de verantwoordelijkheid voor digitalisering echter nog steeds verdeeld.
Naast de staatssecretaris voor Digitale Economie en Soevereiniteit zijn ook andere bewindspersonen betrokken bij onderdelen van digitalisering, onder meer bij Binnenlandse Zaken, Justitie, Defensie, Volkshuisvesting en Langdurige Zorg.
Dat roept een fundamentele vraag op:
Wie neemt de regie wanneer digitalisering echt “Chefsache” wordt?
De technologische en maatschappelijke impact van digitalisering wordt alleen maar groter. Juist daarom is het belangrijk dat overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen hierover in gesprek blijven.
De sector en de verschillende brancheorganisaties staan klaar om constructief mee te denken over de digitale toekomst van Nederland.
Wij gaan die dialoog graag aan.
BTG – Connected by Tech; driven for Impact.